Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om een brug te slaan. Op een steenworp afstand van hier, in de Bergkerk, vindt op dit moment een expositie plaats van Sierk Schröder. Hij was een begenadigd portretschilder, leefde van 1903 tot 2002, en hij beschouwde het tekenen in een veelheid aan technieken als zijn eigenlijke vak. Dat vak bestond uit observeren, studeren en tekenen naar de waarneming. Dat deed hij een leven lang, hij gaf ook les en nam zelf deel aan modelklassen, met als resultaat dat zijn werk steeds vrijer werd en zijn beste tekeningen ontstonden toen hij de tachtig al gepasseerd was.

Een reflectie van Rob Smolders op de tentoonstellingen; . . . (triple dot) van Jorrit Paaijmans, Ware tijd van Paul Jansen Klomp en Leichte Nebel van Heleen Simons. 

Ik heb Sierk Schröder leren kennen in 1994, toen ik zesendertig was en hij eenennegentig. Ik heb hem destijds bezocht in zijn huis in Wassenaar, samen met Paul van Dongen die van mijn leeftijd was. Uit hun kennismaking is een briefwisseling voortgekomen en bij de opening van de expositie hier in de Bergkerk is het boek gepresenteerd waarin ik hun brieven heb verzameld en becommentarieerd. Dat boek gaat voor een groot deel over het tekenen.

Het zou mij een lief ding waard zijn als we de drie kunstenaars die hier exposeren, konden verbinden met hun veel oudere vakgenoot een stukje verderop. En als je vanuit de Bergkerk nog eens een steen gooit, raak je misschien boekhandel Praamstra waar een mooie selectie aan model- en figuurstudies van Paul van Dongen hangt. Beide exposities zijn te zien tot en met 30 juni.

Misschien helpt het wanneer ik twee kleine passages voorlees uit mijn boek. Iets van de inleidende schermutselingen:

‘Er is een tijd geweest dat het tekenen de grondslag vormde voor alle kunstonderwijs, om niet te zeggen voor alle kunst. Wat wij nu kunstacademie noemen, maar ook het technisch onderwijs voor ambacht en industrie en veel avondonderricht als aanvulling op de algemene ontwikkeling van de betere standen, was ooit afhankelijk van tekenacademies, tekengenootschappen en tekenscholen. De smid, de drukker, de wetenschapper, de aristocraat, zij moesten net als de beeldhouwer, de architect en de kunstschilder – zij het niet op hetzelfde niveau – kunnen tekenen. Voor sommigen was het een basisvaardigheid om hun beroep te kunnen uitoefenen, voor anderen een geschikt middel om zich in smaakmakende kringen te doen gelden.’

En iets van de conclusie:

‘Wie kan tekenen heeft meer vaardigheid in huis dan wie het niet kan. Daarbij heeft de tekenaar een beter besef van de weg die afgelegd moet worden tussen idee en voltooid werk, heeft hij minder snel de pretentie een kunstwerk tot stand te hebben gebracht, is hij minder afhankelijk van het toeval en is de kwaliteit van zijn werk beter te bediscussiëren. Dat zijn geen geringe voordelen. Het kunstonderwijs moet door een langdurige vlaag van verstandsverbijstering bevangen zijn geweest toen dit het tekenen als de basis van alle studierichtingen prijsgaf.’

Jorrit

Leichte Nebel – Heleen Simons

Ik was eerder deze week hier in het Kunstenlab. Ik sprak met Heleen en Paul, ik kende hen of hun werk niet, en al heel snel hadden wij het over het creatieve proces. Met Heleen Simons had ik het over beginnen met een blanco vel, of juist niet, over het toeval toelaten en daarbij de inbreng van een ander of van een gevonden afbeelding gebruiken. We hadden het over tekenen met potlood, met kleur, met verf, over schuren en krassen, en over het moment waarop Heleen het gevoel heeft dat een blad af is. Men zegt weleens dat kunstenaars vaker ingeschakeld zouden moeten worden in het bedrijfsleven om creativiteit in het ontwerp- en productieproces te bevorderen, maar als je hoort wat kunstenaars nu feitelijk doen begrijp je wel dat niet veel bedrijven zich aanmelden. Ik zeg niet dat ze daar gelijk in hebben, maar het vak van kunstenaar is nu eenmaal kronkelig en niet erg doelgericht.

Met Paul Jansen Klomp had ik het over wat hij nu eigenlijk verwacht van een kunstwerk. Speelt schoonheid daar een rol in? Ritme en regelmaat? De fascinatie voor techniek? Waar moet het aan voldoen? Wat is de bandbreedte van zijn verbeelding?

Jorrit

Paul Jansen Klomp

Zijn antwoorden verrasten mij. Kunst met een stekker heeft nog altijd de schijn dat die functioneel ontstaat, dat er een rechte lijn is van idee naar techniek en uitvoering, er daar staat je kunstwerk. Zo is het dus niet. Of laat ik het anders zeggen: als het zo gaat, krijgen wij het niet te zien want dan zou het Paul zelf niet eens boeien.  

Wat we hier zien van Paul Jansen Klomp is het resultaat van trial and error, van iets proberen, merken dat dat in de praktijk anders uitpakt, en je dan verbazen over wat er gebeurt. In elk werk van hem zijn de punten aan te wijzen waar de techniek met de bedoeling van de kunstenaar aan de haal ging en er iets anders van maakte. Paul weet dat hij op zulke momenten mee  moet bewegen, zoals je tijdens het tekenen en schilderen merkt dat je hand niet precies doet wat je had gewild en dat de kleur of dichtheid van het materiaal anders werkt dan voorzien. Of zoals je bij het schrijven van een verhaal merkt dat het verhaal zelf eisen gaat stellen en afwijkt van het plan dat de schrijver had.

Het grote beeld van Jorrit Paaijmans lijkt in deze combinatie van kunstenaars het meest doelgericht bedacht en gemaakt. Juist omdat het moest passen in de ruimte waren er vanaf het begin beperkingen die de kunstenaar helpen op het rechte pad te blijven. Een constructie van lijnen, over een aantal schijven, die blijft zweven omdat er trekkracht op staat, met in het midden een vrij in de ruimte hangend, draaiend lichtobject: hoe moeilijk kan het zijn? Je merkt aan mijn taalgebruik dat ik alweer helemaal op functionaliteit ben gericht. Alsof het maken van een beeld in een bepaalde ruimte eigenlijk vooral een praktische opdracht is. Hoe lossen we dit op?

Jorrit

body #1 – Jorrit Paaijmans

Met die benadering ga ik totaal voorbij aan de vragen die eraan voorafgaan. Zoals: waarom zou je überhaupt een object willen spannen tussen twee wanden, wat betekenen die draaiende lampen, enzovoort? En dan komt de verbeelding in het spel, en ga ik me verwonderen over een zwevend ding dat lijkt op een ruimteschip, maar dat alleen maar kan zweven doordat het strak tussen twee muren bevestigd is. Het geeft de illusie van beweging en vliegen, maar het zit stijf gevangen in de ruimte. En wat er wel beweegt, dat kloppende hart in het midden, is weer moeilijk verklaarbaar omdat iets wat om zijn eigen as draait en aan een snoer zit, normaal gesproken niet eindeloos door kan draaien.

JorritJorrit Paaijmans

Het onverklaarbare ding roept verwondering op, het houdt ons bezig en dat komt ook doordat het mooi is op zijn eigen manier. Dat geldt nog meer voor de bewegende objecten eromheen die ook speels en vrolijk zijn.

Elk geslaagd kunstwerk voldoet aan die wet. Als het tot een oplossing is gekomen, als er een doel is bereikt dat waarschijnlijk nooit volgens plan is verlopen, dan heeft het ook een eigen schoonheid. Paul Jansen Klomp heeft niet schoonheid als zelfstandige kwaliteit in zijn hoofd als hij met zijn stekkertjes zit te klooien, maar als het ding klaar is, zelfs als het licht pijn doet aan je ogen en het geluid bijna irritant, is het ook een mooi ding. En de tekeningen van Heleen Simons, die op een merkwaardige manier dikwijls meer door schuren dan door tekenen tot stand komen, bereiken ook dat punt waarop ze ineens mooi blijken te zijn. Dat is het punt waarop ze overgaan van materiaal en techniek naar een zelfstandig beeld, dat zij Leichte Nebel noemt. Een verwijzing naar de romantiek, naar de eenzaamheid van de mens in de natuur die zich even deel voelt van de kosmos en geen banden heeft met het aardse.

JorritWanderlust – Heleen Simons

Ik kom terug bij de brug die ik wilde slaan. De kunstenaars in deze tentoonstelling bereiken dat moment van zich losmaken van het dagelijkse, het functionele, het doelgerichte, door het tekenen. Daarmee begint hun onzekere reis. Dat is niet omdat tekenen zo’n mystieke bezigheid is, het is juist omdat het tekenen zo’n neutraal vervoermiddel is dat je meeneemt naar wat de hand en de geest willen. Daarin zijn zij ten zeerste verwant aan Sierk Schröder en Paul van Dongen, al zijn de uitkomsten van hun manier van werken nog zo verschillend.

Ik wil u iets vertellen dat ik in de Bergkerk niet mag zeggen, maar hier en in deze context wel. Bij de presentatie van mijn boek op 30 april werd het eerste exemplaar uitgereikt aan oud-politicus en schrijver Jan Terlouw. In zijn dankwoord zei hij dat hij blij was met dit pleidooi voor herkenbare, figuratieve kunst. Hij voegde eraan toe dat hij ook nooit had begrepen waarom de poëzie zo nodig af moest wijken van het rijm en het metrum, want dat vond hij nou juist de aspecten die gedichten begrijpelijk maken.

Het is pijnlijk om op zo’n moment zo verkeerd begrepen te worden. Ik heb geen pleidooi willen houden voor een bepaalde richting in de kunst. Ik pleit voor tolerantie, tegen gemakzucht, en voor het tekenen omdat het zo’n universeel middel is om in een creatief proces verzeild te raken. Hoe spannend dat is, en hoe onvoorspelbaar het resultaat, dat zien we in het werk van Heleen Simons, Paul Jansen Klomp en Jorrit Paaijmans en in de bijzondere combinatie van deze drie.

Rob Smolders – schrijver en tentoonstellingsmaker

blog: www.altijdvandaag.nl