De tentoonstelling 'It Might As Well Be Spring' van Michael Rhebergen werd op zondag 12 april feestelijk geopend door kunsthistoricus en curator Claire Hoogakker. Hieronder lees je haar openingswoord terug. 

De solotentoonstelling van Michael Rhebergen 'It Might As Well Be Spring' vormt een intrigerend vertrekpunt voor reflectie op de verhouding tussen beeld, tijd en betekenis. Het werk nodigt niet alleen uit tot kijken, maar vooral tot heroverwegen: wat zien we eigenlijk, en hoe verhoudt dat zich tot de wereld waarin wij ons bevinden? In een tijdperk dat gekenmerkt wordt door voortdurende verandering en onzekerheid, lijken Rhebergens beelden een moment van stilstand te creëren - een ruimte waarin observatie en interpretatie samenkomen.

 

Michael Rhebergen & Claire Hoogakker | opening 'It Might As Well Be Spring'

 

In deze zin slaagt hij erin om met zijn werk zowel een visuele als een inhoudelijke spanning op te roepen. Wat maakt dat zijn project meer is dan een reeks esthetische objecten? En op welke manier reflecteert 'It Might As Well Be Spring' op bredere maatschappelijke en existentiële thema’s? Door deze vragen te verkennen, wordt duidelijk hoe zijn praktijk niet alleen intrigeert, maar ook een kritische dialoog opent over de tijd waarin wij leven.

'It Might As Well Be Spring' is een project dat in 2023 van start ging, nog altijd in ontwikkeling is en aldoor aan relevantie wint. Het vertrekpunt is de Baakse Beek, een belangrijke afwatering voor landbouwgronden en waar het Waterschap de opdracht heeft een klimaatrobuuste omgeving te creëren. Daarvoor wordt de beek door menselijk ingrijpen in natuurlijke staat hersteld. “Vanaf volgend jaar zal het water tot in de eeuwigheid in zijn nieuwe bedding lopen. Totdat de mens besluit dat het anders moet,” aldus een van de projectleiders.

Het uitgangspunt is relatief lokaal  - voor Rhebergen -, en het onderwerp daarmee ogenschijnlijk klein, maar ondertussen snijdt het een groter, universeler thema aan. Onder de toenemende invloed van klimaatverandering wordt ons weer steeds extremer: we zien meer overstromingen, intensere regenval en langere periodes van onvoorspelbare droogte. De seizoenen, ooit zo vertrouwd en herkenbaar, lijken te vervagen of zelfs volledig te verschuiven. Wetenschappers spreken inmiddels over een nieuw tijdperk: het Antropoceen, een periode die begon tijdens de Industriële Revolutie en waarin de mens een bepalende invloed heeft gekregen op het klimaat, mogelijk zelfs als aanjager van een zesde massa-extinctie.

 

 

It Might As Well Be Spring | Michael Rhebergen

 

In dat licht stelt Rhebergen een urgente en tegelijkertijd poëtische vraag: wat betekent deze ontwikkeling voor het Nederlandse landschap dat hij bewoont? Een landschap waarin vrijwel elke vierkante meter een functie heeft, zorgvuldig ingericht, gecontroleerd en beheerst. Zijn wij degenen die de natuur naar onze hand zetten, of worden wij uiteindelijk zelf gevormd door de krachten van diezelfde natuur?

Het werk van Rhebergen raakt aan een van de grote paradoxen van onze tijd. Onze westerse consumptiemaatschappij wordt gedreven door kortetermijndenken, terwijl de gevolgen van onze keuzes zich juist op de lange termijn manifesteren. Voor het eerst in de geschiedenis heeft de mens invloed op het allesomvattende klimaatsysteem. Daarmee bevinden wij ons op een kruispunt - sociaal, ecologisch en moreel - waar de spanning voelbaar is tussen onmiddellijke behoeften en een duurzame toekomst.

Een centrale vraag in Rhebergens onderzoek is hoe onze relatie tot die tijd onze verbondenheid met het landschap beïnvloedt. Hoe verhouden wij ons tot de grond waarop wij leven, als onze blik vooral gericht is op het hier en nu? Wat betekent het om ergens thuis te zijn, wanneer de toekomst van die plek onzeker is?

 

It Might As Well Be Spring | Michael Rhebergen 

 

Met 'It Might As Well Be Spring' onderneemt Rhebergen misschien wel zijn meest filosofische zoektocht tot nu toe. Hij onderzoekt de kwetsbaarheid en vergankelijkheid van het menselijk bestaan tegenover de ogenschijnlijke eeuwigheid van de aarde. Wat betekent onze aanwezigheid - kort, vluchtig, en vaak gericht op onmiddellijke bevrediging - in verhouding tot geologische processen die zich uitstrekken over duizenden, zelfs honderdduizenden jaren?

Hij maakt deze zoektocht tastbaar en visueel door middel van het gebruik van analoge fotografie; een tijdrovend en kostbaar proces dat dwingt tot vertraging en reflectie. Dit staat haaks op de snelle, onverzadigbare consumptiemaatschappij waarin wij leven en de eindeloze beeldenstroom waarin wij allen verzuipen. In deze zin vormt het concept tijd - het gebrek, maar ook de behoefte daaraan - een belangrijk en terugkerend element in het project.

In de woorden van politiek filosoof William Connolly staan wij vandaag de dag “oog in oog met het planetaire”. Terwijl klimaatverandering zich voltrekt over periodes die onze menselijke tijdsbeleving overstijgen - jaren, decennia, misschien een eeuw - grijpen wij in op processen die zich normaal gesproken over honderdduizenden jaren ontvouwen. Dat besef is zowel ontzagwekkend als ontregelend.

Rhebergen schreef zelf zijn eigen gedachtenspinsels omtrent het concept tijd op, dansende woorden op papier die gezamenlijk poëzie vormen, getiteld 'Door de tijd':

 

Er is het moment

dan de seconde

de minuut

het uur

de dag

en de week

De maand

het jaar

en het decennium

de eeuw

en het millennium

Hoe noemen we

duizend jaar

of langer

misschien gaat dat

naar de eeuwigheid

En daartussen

zit een mensenleven

soms lang

soms kort

maar altijd

 

Naast deze visuele en filosofische zoektocht, breidde Rhebergen zijn onderzoek uit door zich te verdiepen in de literatuur van onder anderen Dipesh Chakrabarty, Robin Wall Kimmerer, Roman Krznaric en Jenny Odell. Hierdoor leerde hij over de betekenis van het landschap in verschillende culturen. Maar tegelijk rezen er met deze zoektocht meer vragen. Zo bracht Kimmerer de volgende kwestie op: ‘Als land slechts onroerend goed is, ziet herstel er heel anders uit dan wanneer land de bron van een bestaansmiddeleneconomie en een spiritueel thuis is. Het herstellen van land voor de productie van natuurlijke hulpbronnen is niet hetzelfde als het vernieuwen van land als culturele identiteit.’ Het zijn deze tegenstellingen waar de fascinatie van Rhebergen ligt en waar hij met dit project grip op probeert te krijgen.

Dit project kan ook worden gezien als een antwoord op zijn eerdere werk, 'De Nieuwe Kust', waarin hij een denkbeeldige nieuwe kustlijn doorkruiste als gevolg van de zeespiegelstijging. Waar dat project een mogelijke toekomst verbeeldde, richt Rhebergen zich nu op de spanning tussen menselijke tijd en geologische tijd. Hij hoopt hiermee aan te zetten tot nadenken over ogenschijnlijk vanzelfsprekende beelden over de invloed van de mens in het landschap en de schaal waarop wij ingrijpen in natuurlijke processen die ons begrip ver te boven gaan. Zijn artistieke onderzoek schuilt in het ogenschijnlijk vanzelfsprekende, zijn beelden zijn echter gelaagd en werken suggestief. Het werk bevraagt daarmee de invloed van de mens in het landschap en of dat landschap ook van invloed is op de mens.

Rhebergen plaatst zich met dit, en ook zijn eerder werk dat raakt aan de klimaatcrisis, in een nieuwe traditie van hedendaagse kunstenaars die de klimaatvraagstukken van deze tijd als uitgangspunt nemen voor hun werk. We leven in een tijd waarin beeldend kunstenaars gelijkwaardige deelnemers zijn aan diepgaande discussies over de meest urgente kwesties van onze tijd. Kunstenaars zijn in staat om bewustwording te creëren over globale problemen als ecologische crises en de toeschouwer bewust te maken van zijn of haar plek in deze ongelijkwaardig verdeelde wereld. Kunst kan een essentiële rol spelen in het opnieuw bedenken van manieren van aanpassing en participatie door een dialoog aan te gaan, en biedt alternatieve visies en tastbare manieren om onze politieke en dagelijkse handelingen opnieuw vorm te geven. Kunst kan visuele verhalen vertellen die inspireren, en daarmee tot verandering leiden. Creatieve verbeeldingskracht is waar we op moeten vertrouwen om ons te helpen onze huidige, niet-duurzame koers te keren.

Wat Rhebergen ons biedt, is echter geen eenduidig antwoord. Zijn werk is geen pamflet, geen aanklacht, maar eerder een uitnodiging tot vertraging en contemplatie. Hij vraagt ons niet alleen te kijken, maar ook te voelen en te overwegen. Zijn beelden openen een ruimte waarin vragen mogen bestaan zonder direct opgelost te worden.

En misschien is dat wel precies wat we nodig hebben in deze tijd: momenten van stilte, van aandacht, van verwondering. Momenten waarin we ons opnieuw kunnen verhouden tot de wereld om ons heen, en tot onze plaats daarin.

Deze tentoonstelling was eerder te zien in Museum Villa Mondriaan en zal nu verder leven, onder andere bij Kunstenlab. Dat onderstreept niet alleen de toenemende relevantie van dit werk, maar ook de blijvende urgentie van de vragen die het oproept.

Bezoekers worden uitgenodigd om hun zintuigen open te stellen. Om niet alleen te kijken, maar ook te ervaren. Om stil te staan bij wat het landschap voor jou betekent, bij wat verandert, wat blijft, en wat misschien al aan het verdwijnen is - zo vluchtig als de veranderende seizoenen.

Tegelijkertijd biedt het project ook een hoopvolle noot. Want zoals de titel doet vermoeden, refereert het aan de lente. In de woorden van Michael Rhebergen:
'Het besef dat we nu van invloed worden op het klimaat sijpelt meer door in het bewustzijn van mensen. Dat zorgt ervoor dat we ook langzaam een veranderende houding ten opzichte van onze omgeving, de natuur en het landschap ontwikkelen. Daarin zit een sprankje hoop. Daarin staat de lente symbool voor een nieuw en hoopvol begin, een nieuw paradigma, het nieuwe leven.'

Claire Hoogakker
Kunsthistoricus en curator bij Verwey Museum Haarlem en daarnaast schrijver voor Pf Fotografie Magazine.